noot bij Funda/ZoekAlleHuizen

(Deze noot is eerder geplaatst in Mediaforum 2007/1 bij Gerechtshof Arnhem, LJN: AY0089, 04-07-2006)

Funda.nl is verreweg de meest succesvolle woningzoek-website van Nederland. Maandelijks wordt deze NVM-site door 2,6 miljoen mensen bekeken. Meer dan 90.000 te koop aangeboden huizen zijn op deze site terug te vinden, ongeveer 70 procent van het totale woningaanbod.[1] De aanval op deze dominante positie van Funda is ingezet door onder meer Zoekallehuizen.nl (ZAH).

ZAH biedt op haar website een overzicht van te koop aangeboden huizen en gebruikt hiervoor een zoekmachine die dagelijks onder meer de websites van NVM-makelaars afzoekt naar te koop staande woningen. Deze informatie wordt dus niet van de Funda-website afgehaald, maar van de websites van de individuele makelaars.[2] Door de software van ZAH wordt automatisch een vermelding van deze woningen op de website van ZAH geplaatst.[3] ZAH neemt daarbij de belangrijkste foto verkleind over en het adres, de vraagprijs, een of twee regels van de beschrijving en de naam van de makelaar die het huis in de verkoop heeft. Ook plaatst ZAH een link naar de homepage van de verkopende makelaar en een link die direct naar de woning leidt en hierbij deze homepage overslaat (deeplink).

Twee NVM-makelaars en NVM (hierna: de Makelaars) zetten de tegenaanval in en stellen dat ZAH inbreuk maakt op hun auteurs- en databankrechten, wanprestatie pleegt en ook overigens onrechtmatig handelt. Zowel de Voorzieningenrechter Arnhem als het Gerechtshof Arnhem denkt hier echter anders over.[4]

Volgens de Makelaars rust op een bestand met ‘te koop staande woningen’ op een website van een makelaar een databankrecht in de zin van de Databankenwet en wordt door ZAH inbreuk op dit recht gemaakt (zie m.n. overweging 4.4). Om een dergelijk zogeheten sui generis databankrecht te verkrijgen, is het noodzakelijk dat de verkrijging, controle of presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.[5] De Voorzieningenrechter verwijst voor de uitleg van het begrip ‘investering’ onder meer naar het William Hill-arrest van het Hof van Justitie.[6] Uit dit arrest volgt dat met investeringen wordt gedoeld op de aanwending van middelen om bestaande elementen te verkrijgen en te verzamelen, de systematische of methodische ordening ervan in de databank, de organisatie van de afzonderlijke toegankelijkheid en de controle van de juistheid gedurende de gehele periode waarin de databank functioneert, dan wel de presentatie daarvan, maar niet op middelen die zijn aangewend voor het creëren van die elementen. Zowel de Voorzieningenrechter als het Hof oordeelt dat aan dit vereiste niet is voldaan. Het Hof overweegt dat de benodigde investeringen betrekking moeten hebben op het aanleggen van de databank als zodanig.

Zou een dergelijke overweging vóór het William Hill-arrest nog ontvangen worden als een bevestiging van de spin-off theorie, inmiddels kan volstaan worden met de constatering dat dit oordeel conform het in literatuur en rechtspraak geaccepteerde spin-off uitgangspunt is.[7] Volgens deze spin-off theorie komt een databankrecht alleen toe aan informatieverzamelingen waarbij direct is geïnvesteerd in de productie van de databank. De gedachte hierachter is dat deze vorm van databankbescherming in het leven is geroepen om de productie van informatieproducten te stimuleren. Informatieproducten die slechts bijproducten zijn, een spin-off van de hoofdactiviteit, verdienen in het licht van dit uitgangspunt dus geen bescherming. Met het William Hill-arrest heeft het Hof van Justitie dit uitgangspunt bevestigd.[8]

Overigens is het wel de vraag of het Hof dit criterium juist toegepast heeft. De Makelaars hadden aangevoerd dat de door hen verzamelde gegevens voor elke woning uit verschillende elementen bestaan. Per object zou meer dan € 300,– gemoeid zijn met het verzamelen, presenteren en controleren van de gegevens. Het Hof oordeelt dat de Makelaars ook in hoger beroep niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hiermee investeringen gemoeid zijn die zij anders niet zouden hebben gemaakt ten behoeve van de normale bedrijfsvoering. Een dergelijke overweging zou in kort geding inderdaad voldoende kunnen zijn. Het Hof onderbouwt dit echter nader, waarbij de vraag rijst of die onderbouwing wel sluitend is. De kosten van het verzamelen van de gegevens moesten de Makelaars volgens het Hof toch al maken. Ook de kosten die gemoeid zijn met het maken van een website moeten buiten beschouwing worden gelaten. Deze kosten kunnen volgens het Hof niet worden beschouwd als hier relevante investeringen omdat elk zichzelf respecterende ondernemer en zeker een makelaar een website nodig heeft.[9] Er rust dus volgens het Hof geen databankrecht op het geheel van gegevens van te koop aangeboden huizen op een website van een makelaar.

Daarmee lijkt het Hof echter voorbij te gaan aan de stelling van de Makelaars dat zij aanzienlijke kosten moeten maken voor het presenteren en controleren van de gegevens, die er kennelijk onder meer in bestaan dat deze gegevens ten behoeve van de presentatie als onderdeel van een databank eenzelfde format moeten krijgen en dezelfde elementen moeten bevatten. Die kosten zouden wel degelijk een investering kunnen vormen die een databankrecht rechtvaardigt.

Een voor de Makelaars ongetwijfeld zure gedachte is dat op de verzameling te koop staande huizen die door ZAH is verzameld, volgens mij weer wél een databankrecht rust. Nu ZAH zelf geen makelaar is,[10] is zij immers een producent van een informatieproduct zoals een producent volgens de Databankenrichtlijn bedoeld is. ZAH creëert geen gegevens maar investeert in de verkrijging en de presentatie van gegevens die met behulp van een zoekmachine door ZAH worden verzameld. Het verzamelen en presenteren van deze gegevens is de kernactiviteit van ZAH en ZAH hoeft de kosten die samenhangen met de productie van de databank dan ook niet ‘toch a1 te maken’ zoals een makelaar dit wel moet in het kader van zijn dienstverlening.[11]

Een (naar zal blijken, schrale) troost voor de Makelaars is dat door de Voorzieningenrechter is aangenomen dat aan de woningomschrijvingen geschriftenbescherming toekomt. Dit is in hoger beroep niet bestreden en het Hof gaat dan ook uit van deze kwalificatie.

Geschriftenbescherming wordt gevonden in een curieus uithoekje van de Auteurswet. Normaal is voor het ontstaan van een auteursrecht vereist dat een werk een eigen, oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt.[12] In strijd met dit kernvereiste van het auteursrecht biedt de Auteurswet onder artikel 10 lid 1 onder 1 echter ook bescherming aan ‘alle andere geschriften’, dus ook aan geschriften zonder eigen of persoonlijk karakter.[13]

Het hier geannoteerde arrest illustreert dat op een informatieverzameling in Nederland bijna in elk geval een alleenrecht rust.[14] In Nederland bestaan momenteel drie beschermingsregimes waar de verzamelaar van informatie beschutting kan vinden. Een verzameling die een eigen intellectuele schepping van de maker vormt, wordt beschermd door het traditionele auteursrecht.[15] Een verzameling waarin onder meer substantieel is geïnvesteerd verkrijgt de sui generis-bescherming die is neergelegd in de Databankenwet en voor de overige (schriftelijke, voor openbaarmaking bestemde) verzamelingen rest de geschriftenbescherming.[16] Een dergelijke opeenstapeling van beschermingsregimes doet de informatievrijheid, het beginsel dat feitelijke informatie geen bescherming toekomt, geen goed.[17]

Aan de andere kant illustreert dit arrest eveneens dat het allemaal zo een vaart niet loopt. Het Hof oordeelt dat de overneming van onder meer de adresgegevens is te kwalificeren als citeren en dus geen sprake is van een auteursrechtinbreuk.

Het citaatrecht is een beperking van het auteursrecht en geeft derden het recht onder bepaalde voorwaarden stukjes van of zelfs het gehele auteursrechtelijk beschermde werk over te nemen.[18] Citeren is slechts geoorloofd in de context van een aankondiging, beoordeling, polemiek of wetenschappelijke verhandeling of een uiting met een vergelijkbaar doel. Weliswaar dient dit context-vereiste ruim uitgelegd te worden, dit betekent echter nog niet dat dit contextvereiste is vervallen zoals het Hof dan ook ten onrechte overweegt in overweging 4.8.[19]

Het Hof oordeelt dat ZAH de overgenomen gegevens gebruikt ten behoeve van een aankondiging of iets wat hiermee gelijk te stellen is. Hierbij is het volgens het Hof van doorslaggevend belang dat de ontlening van de gegevens en het gebruik dat hiervan door ZAH wordt gemaakt, hetzelfde doel dient als dat van de Makelaars die deze gegevens openbaar hebben gemaakt: het vestigen van de aandacht van geïnteresseerden op dit object. Volgens mij wordt hiermee bedoeld dat de woninggegevens die door de Makelaars op hun website zijn geplaatst, als een aankondiging moeten worden beschouwd. Die gegevens kunnen onder omstandigheden misschien zelfs als zodanig worden beschouwd omdat deze gegevens de aandacht vestigen op een auteursrechtelijk werk, te weten het te koop staande huis.[20] Door dan vervolgens met hetzelfde doel als de partij die de informatie openbaar heeft gemaakt naar deze informatie te verwijzen, moet deze verwijzing dan per definitie óók worden beschouwd als een aankondiging. Dat gaat echter alleen op als de vormgeving van het huis zodanig origineel is dat deze als auteursrechtelijk beschermd kan worden. In veel gevallen zal dat echter niet zo zijn.[21] Het ligt dan ook meer voor de hand dat het Hof hier heeft bedoeld dat het hier in feite een aankondiging van de website van de betreffende makelaar betreft, waarop meer informatie te vinden is over het object en over de wijze waarop dit aangekocht kan worden.

Ook kan volgens mij worden gesteld dat het citaat wordt gebruikt in ‘een uiting met een vergelijkbaar doel’ nu vrijwel elke uiting met inhoudelijke, serieuze informatie waarschijnlijk zo moet worden beschouwd.[22] Hoe dan ook, het verweer van de Makelaars dat het citaat in een andere context wordt geplaatst dan op grond van de Auteurswet is geoorloofd, wordt terecht door het Hof verworpen.

Ten tweede bestrijden de Makelaars dat het citaat in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer geoorloofd is en de aard en omvang van de geciteerde gedeeltes voor het doel waarvoor geciteerd wordt, niet is gerechtvaardigd (zie overweging 4.9).[23]

De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat citeren geen wezenlijke afbreuk mag doen aan de door het auteursrecht beschermde belang van de rechthebbende ter zake van de exploitatie van het werk waaruit wordt geciteerd.[24] Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een illustratie bij een boekbespreking in beginsel een toelaatbaar citaat is als de afbeelding samen met de tekst ertoe strekt de lezer een indruk van dat boek te geven. Dit citaat wordt pas ontoelaatbaar als op deze afbeelding zodanige nadruk komt te liggen dat zij in overwegende mate de functie van versiering krijgt.[25] Quaedvlieg vat samen: een citaat moet functioneel en proportioneel zijn.[26] Het Hof is kennelijk van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan: het ontlenen van de kerngegevens is in verband met het verwijzen naar de website van de Makelaars als proportioneel te beschouwen. Volgens het Hof (en de Voorzieningenrechter) wordt hieraan niet afgedaan door het feit dat de gegevensverzameling van ZAH hoofdzakelijk is opgebouwd uit dergelijke citaten.

Een m.i. terecht oordeel, maar (te) summier gemotiveerd. In het al aangehaalde Zienderogen kunst-arrest overwoog de Hoge Raad ook dat illustraties in een kunstboek het werk een zodanig ondergeschikt onderdeel moet vormen dat door opneming van het citaat redelijkerwijs niet meer als een vorm van exploitatie van die werken kan worden beschouwd. Door de overgenomen kerngegevens te gebruiken, worden de auteursrechtelijk beschermde geschriften wel degelijk geëxploiteerd door ZAH. Deze kerngegevens zijn geen ondergeschikt onderdeel, maar vormen nadrukkelijk de kern van de website. Hierdoor wordt mogelijk afbreuk gedaan aan de exclusiviteit van de website van de Makelaars en de hier opgenomen informatie, iets wat wellicht moet worden beschouwd als een door de geschriftenbescherming beschermd belang.[27] Om tot haar oordeel te komen, had het Hof dan ook nader moeten onderbouwen waarom het gebruik dat door ZAH van de kerngegevens wordt gemaakt, desondanks naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is.

Ten derde voeren de Makelaars nog aan dat de verkleining van de foto een wijziging van het werk is, dan wel een aantasting hiervan.[28] Het Hof oordeelt echter in overweging 4.9 dat in de context van het gebruik de verkleining niet als een aantasting kan worden beschouwd. Deze verkleinde foto’s dienen immers alleen om de gebruiker behulpzaam te zijn bij het zoeken. Dat dit een redelijk en gangbaar middel is, volgt uit de webpagina’s van de Makelaars zelf waar ook dergelijke verkleinde foto’s worden gebruikt, aldus het Hof.

Op de vraag óf deze foto’s (die natuurlijk geen geschriften zijn) mogen worden overgenomen, wordt geen aparte overweging gewijd. Onder verwijzing naar het voorgaande meen ik dat ook deze verkleinde foto, net als de overgenomen gegevens, kan worden beschouwd als een citaat. De overname van de foto is functioneel en proportioneel en dient slechts om de gebruiker aan te kondigen wat hij gaat zien als hij op de hyperlink klikt.[29] Dit komt mij in ieder geval juister voor dan het oordeel van de Voorzieningenrechter dat het auteursrecht ‘verdwijnt’ door de verkleining omdat de auteursrechtelijke nuance niet zichtbaar is op deze kleine foto en om deze reden geen sprake is van auteursrechtinbreuk.

Net als de Voorzieningenrechter concludeert het Hof dan ook dat de overneming van de gegevens door ZAH beschouwd kan worden als een citaat in de zin van 15a Auteurswet en dus is toegestaan. Wordt desondanks toch onrechtmatig gehandeld door ZAH?

Het Hof bevestigt weer eens dat (deep)linken op zichzelf niet onrechtmatig is en in ieder geval geen auteursrechtelijke verveelvoudiging is (overweging 4.10). Er wordt immers geen informatie gekopieerd maar verwezen naar een plaats waar deze informatie openbaar is gemaakt. Dit werd ook erkend door de Makelaars. De vraag of een hyperlink een openbaarmaking is, iets dat eveneens exclusief is voorbehouden aan de auteursrechthebbende, is echter minder makkelijk te beantwoorden en wordt door het Hof ook niet expliciet beantwoord. Het Hof overweegt slechts dat de omstandigheid dat er technische maatregelen zijn genomen niet meebrengt dat sprake is van openbaarmaking. Deze maatregelen zijn immers niet gericht op het verhinderen van openbaarmaken, maar op het tegengaan van deeplinks, aldus het Hof. Daarentegen draait de Voorzieningenrechter niet om de hete brei heen. Onder verwijzing naar enkele Nederlandse uitspraken[30] en het Paperboy-arrest van het Duitse Bundesgerichtshof[31] oordeelt de Voorzieningenrechter dat het aanleggen van een (deep)link geen openbaarmaking van de webpagina is. In het Paperboy-arrest overweegt het Bundesgerichtshof dat pas als op een hyperlink wordt geklikt, sprake kan zijn van een openbaarmaking. Geheel in lijn hiermee oordeelt de Voorzieningenrechter dat de door ZAH aangelegde (deep)links slechts de toegang tot die informatie vergemakkelijken, wat betekent dat er van een auteursrechtelijke inbreuk door ZAH geen sprake is.

Is het omzeilen van beschermingsmaatregelen tegen, ik neem aan, het ontrekken van informatie en het aanleggen van (deep)links door ZAH onrechtmatig (zie overweging 4.12)? Bij de beoordeling van deze vraag gaat het Hof in op artikel 5a Databankenwet. In dit artikel is bepaald dat degene die doeltreffende technische voorzieningen omzeilt en dit weet of moet weten, onrechtmatig handelt. Het Hof had dit volgens mij al af kunnen doen door te overwegen dat nu er geen sprake is van een databank in de zin van de Databankenwet (als althans dat oordeel juist zou zijn), het al om deze reden niet relevant is of ZAH deze beveiligingen respecteert. Het Hof doet het echter af met de feitelijke constatering dat het Hof niet heeft kunnen afleiden dat ZAH dergelijke voorzieningen heeft omzeild. Vermeldenswaardig is nog dat volgens het Hof voorzieningen die uitsluitend tegen ZAH zijn gericht (en dus niet tegen derden in zijn algemeenheid), niet onder de genoemde wettelijke bescherming vallen en het ontduiken daarvan door ZAH dus niet onrechtmatig is.

Daarbij is het volgens mij zo dat een dergelijke beveiliging uitsluitend is bedoeld om de exclusieve rechten te beschermen die de rechthebbende zich ook rechtsgeldig kan voorbehouden (zie ook hieronder).[32] Dit volgt m.i. ook uit de tekst van artikel 6 Auteursrecht-richtlijn, waarop artikel 5a Databankenwet net als artikel 29a Auteurswet is gebaseerd.[33] In dit artikel is bepaald dat met technische voorzieningen, technieken worden bedoeld ter voorkoming van handelingen die door de houders van auteursrechten of het sui generis-recht niet zijn toegestaan. Welke handelingen de rechthebbende zich wel en niet kan voorbehouden, is in de Auteurswet en de Databankenwet uiteengezet. Het zou dan onlogisch zijn als de rechthebbende met een beroep op artikel 5a Databankenwet of 29a Auteurswet, bescherming verkrijgt tegen handelingen welke hij zich met een beroep op deze wetten niet kan voorbehouden (zoals bijvoorbeeld citeren). Helaas heeft het Hof over deze kwestie geen oordeel gegeven.

Door ZAH wordt niet in strijd met de algemene voorwaarden van de Makelaars gehandeld (overweging 4.14). Het Hof overweegt dat de makelaars zich door het op hun website vermelden van algemene voorwaarden niet eenzijdig een recht kunnen voorbehouden dat zij anders niet bezitten. Zij kunnen ook niet zonder meer met het gebruik van algemene voorwaarden de rechten van anderen beperken. Door het stellen van algemene voorwaarden kan evenmin de werking van wettelijke uitzonderingen op auteursrechtelijke bescherming ongedaan worden gemaakt, aldus het Hof. Dit oordeel lijkt mij juist. Een recht dat de wet je niet verleent, kan je ook niet rechtsgeldig voorbehouden. Terecht verwijst de Voorzieningenrechter in dit kader naar het Leesportefeuille-arrest[34] en het Stemra/Free Record Shop-arrest.[35] Uit deze arresten volgt dat een mededeling van de rechthebbende waarmee een handeling wordt voorbehouden dat de rechthebbende niet toekomt, geen rechtsgevolg heeft.

Evenmin handelt ZAH onrechtmatig door (het is een hele opsomming) het profiteren van en parasiteren op de investeringen en prestaties van de makelaars, het verwerven van een onrechtmatige voorsprong, het toebrengen van schade aan de makelaars door slordigheden en fouten op de website van ZAH wat betreft de vermelding van gegevens, het onrechtmatig gebruik maken van de systemen van makelaars, inbreuk te maken op hun exclusieve rechten, ontduiking van beschermingsmaatregelen en het op kosten jagen van de makelaars (zie overweging 4.14). Zonder hier veel woorden aan vuil te maken doet het Hof dit af onder het adagium ‘wat mag dat mag tenzij het niet mag’. Nu het raadplegen van websites, het gebruikmaken van de mogelijkheid daarvan informatie op te halen en het aanleggen van hyperlinks niet zonder meer onrechtmatig is (overweging 4.1), en door ZAH niet onzorgvuldig is gehandeld of de belangen van de makelaars niet nodeloos zijn geschaad, is geen sprake van onrechtmatig handelen volgens het Hof.

Als uitsmijter acht het Hof het ook nog aannemelijk dat de NVM, die 80% tot 85% van de woningmakelaars vertegenwoordigt, in strijd handelt met het mededingingsrecht door de bij haar aangesloten makelaars te adviseren maatregelen te nemen om te voorkomen dat ZAH de op hun website genoemde woningen opneemt in de website van ZAH. En daar moet NVM het (voorlopig) mee doen.


[1] NRC Next nr. 139, donderdag 28 september 2006, p. 4 en 5

[2] Zie over het hoe en waarom hiervan de noot van Chr. A. Alberdingk Thijm bij de uitspraak van de Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem in deze zaak van 16 maart 2006, AMI 2006/3. In het databankendossier van het IVIR wordt gewezen op de gelijkenis die deze zaak heeft met het vonnis dat is gewezen door een Deense rechtbank op 24 februari 2006. http://www.ivir.nl/files/database/index.html#Bolig.ofir.dk

[3] http://www.zah.nl en http://www.zoekallehuizen.nl

[4] Rechtbank Arnhem 16 maart 2006, AMI 2006/3

[5] De volledige definitie van een databank in de zin van de Databankenwet: Een verzameling van werken, gegevens of andere zelfstandige elementen die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen of anderszins toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering. De Databankenwet is tot stand gekomen bij de implementatie van de Databankenrichtlijn, Richtlijn 96/9/EG van het Europese Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, Pb. EG L 77/20.

[6] Hof van Justitie EG, 9 november 2004, C-203/02, Mediaforum 2005/2 (British Horseracing Board/William Hill)

[7] Zuiverder is om te spreken over het aan de spin-off theorie ten grondslag liggend uitgangspunt. Zie het hieronder genoemde artikel van Davison en Hugenholtz.

[8] Dit blijkt met name uit Overweging 12 Databankenrichtlijn: het gaat om investeringen in moderne systemen voor de opslag en verwerking van van informatie die zonder de stabiele en eenvormige bescherming niet plaats zullen vinden. In ‘Football fixtures, horse races and spin-offs: the ECJ domesticates the database right’, M.J. Davison & P.B. Hugenholtz, EIPR 2005/3, wordt nader uiteengezet dat met het William Hill-arrest in ieder geval het uitgangspunt achter de spin-off theorie wordt bevestigd.

[9] Dat ook de kosten die door de Makelaars gemaakt worden voor lunchen en borrelen, volgens de Voorzieniningenrechter onvoldoende relatie tot de exploitatie van de gegevensverzameling hebben, kan dan ook geen verbazing wekken.

[10] Dat ZAH geen makelaar is leid ik af uit overweging 4.14.

[11] Chr. Alberdingk Thijm meent in zijn noot bij het vonnis van de Voorzieningenrechter dat de kans groot is dat ook op de Funda.nl-verzameling een databankrecht rust.

[12] HR 4 januari 1991, NJ 1991/608 m.nt. D.W.F.Verkade (Van Dale/Romme)

[13] Dit is een gevolg van een vreemde incorporatie van artikel 2 lid 1 Berner Conventie. In dat artikel staat dat de term ‘werken van letterkunde en kunst’ duidt op ‘alle voortbrengselen op het gebied van letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukking zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften’. Nederland heeft hiervan gemaakt ‘boeken, brochures, nieuwsbladen, tijdschriften en alle andere geschriften’. Voor een overzicht van het stelsel van de geschriftenbescherming verwijs ik naar Auteursrecht, Auteursrecht, naburige rechten en databankenrecht, J.H. Spoor, D.W.F. Verkade, D.J.G. Visser, Kluwer derde druk, p. 87 e.v.

[14] Zo concludeert ook D.J.G. Visser in zijn noot bij President Rechtbank Amsterdam 16 december 1999, Mediaforum 2000/2 waarin werd aangenomen dat een verzameling hyperlinks getuigde van een substantiële investering.

[15] Artikel 10 lid 3 Auteurswet

[16] En dan bestaat er volgens sommige rechters óók nog een eigendomsrecht op een klantenbestand, zie Voorzieningenrechter rechtbank Den Haag, 21 juli 2004, IER/6 m.nt. JK

[17] Zie hierover al Hirsch Ballin in zijn noot bij Hoge Raad 27 januari 1961, AA 1961, p. 179-184 (Explicator). Dit geldt eens te meer als bedacht wordt dat de geschriftenbescherming zeer ‘informatievrijheid-onvriendelijk’ is. De Hoge Raad maakt in het Explicator-arrest duidelijk dat de inhoud van het geschrift in tegenstelling tot het ‘echte’ auteursrecht, beschermd is tegen het overnemen van de inhoud. De gedachte achter deze overweging is dat bij een onpersoonlijk geschrift per definitie het onderscheid tussen het op schrift gestelde en de inhoud van dit geschrift niet te maken is: ‘dat, juist wijl auteursrecht op den inhoud van geschriften zonder persoonlijk karakter als radioprogramma’s bestaat enkel omdat – en alleen voor zover – die inhoud in geschrifte is vastgelegd, bij inbreuk op het auteursrecht op zodanige geschriften een scheiding tussen een “inhoud van het geschrift” die niet beschermd zou zijn, en een “schriftelijke vorm” die wel bescherming geniet, niet kan worden gemaakt’. Daarbij is het evenmin toegestaan om onpersoonlijke geschriften over te nemen met daarin slechts wijzigingen van minder ingrijpende aard. De HR maakt in haar El Cheapo-arrest (Hoge Raad, 22 maart 2002, IER 2002/22 onder verwijzing naar Radioprogramma IV-arrest (Hoge Raad 25 juni 1965, NJ 1966/116) nogmaals duidelijk dat ontlening door eenvoudige herhaling niet is toegestaan en dat van ‘eenvoudige herhaling’ ook sprake kan zijn ‘in het geval van overneming met wijzigingen van minder ingrijpende aard, en derhalve ook wanneer de overneming niet geheel of grotendeels letterlijk is en zij weglatingen of toevoegingen bevat’.

[18] Zie artikel 15a Auteurswet

[19] Zie o.m. Auteursrecht, J.H. Spoor, e.a., p.241 e.v. en de daar genoemde arresten. In de MvT bij het wetsvoorstel Aanpassing auteurswet stelt de Minister dat de toevoeging ‘uiting met een vergelijkbaar doel’ is toegevoegd aan artikel 15a om de vereisten waaronder mag worden geciteerd minder beknellend te maken. TK 2001-2002, 28 482, nr. 3

[20] Een aankondiging moet belangstelling wekken voor een werk, zie HR 2 november 1942, NJ 1943/5

[21] Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 25 september 1997 (Palazzo d’Ufficio)

[22] Spoor e.a. p. 242. Dit was ook het oordeel van de Voorzieningenrechter.

[23] Zie artikel 15a lid 1 sub 2 Auteurswet

[24] HR 22 juni 1990, NJ 1991/268 m.nt. J.H. Spoor (Zienderogen kunst), bevestigd in HR 26 juni 1992, IER 1992/40 m.nt A.A. Quaedvlieg.(Damave/Trouw)

[25] Damave/Trouw-arrest, zie hiervoor

[26] In zijn noot bij het Damave/Trouw-arrest. D.W.F. Verkade noemde deze samenvatting een parafrase van de basis van het citaatrecht in zijn noot bij dit arrest in NJ 1993/205.

[27] zie voetnoot 17

[28] Zie artikel 15a lid 1 sub 3 jo artikel 25 lid 1 sub c en d Auteurswet

[29] Alberdingk Thijm wijst in zijn noot ook nog op de catalogus-exceptie (artikel 23 Auteurswet)

[30] Rechtbank Rotterdam 22 augustus 2000, Mediaforum 2000/61 m.nt. K.J. Koelman (Kranten.com) en Voorzieningenrechter Rechtbank Leeuwarden 30 oktober 2003, LJN AN4570 (Batavus).

[31] BGH 17 juli 2003, I ZR 259/00, JAVI 2003/6 m.nt. R.D. Chavannes en W.A.M. Steenbruggen (Paperboy)

[32] Zo ook Alberdingk Thijm in zijn noot

[33] Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, PbEG L 167/10

[34] HR 25 januari 1952, NJ 1952/95 (Leesportefeuille)

[35] HR 20 november 1987, NJ 1988/280 (Stemra/Free Record Shop) Zie overweging 3.4. “Wanneer een grammofoonplaat waarop een auteursrechtelijk beschermd werk is vastgelegd – dus een verveelvoudiging van dat werk – eenmaal met toestemming van de rechthebbende op het auteursrecht en derhalve rechtmatig in het verkeer is gebracht, is daarmede de openbaarmaking van die verveelvoudiging voltooid, zodat verdere beschikbaarstelling van die verveelvoudiging aan derden, door verhuur, bruikleen of op andere wijze – of aanbieding voor zulk een doel – niet als een (verdere) openbaarmaking in de zin van de Auteurswet is aan te merken. De rechthebbende op het auteursrecht kan derhalve niet aan art. 12 van die wet enige zeggenschap over zodanige verdere beschikbaarstelling ontlenen. Dat wordt niet anders door enige mededeling op de grammofoonplaat inhoudende dat die verveelvoudiging uitsluitend voor de verkoop in het verkeer wordt gebracht, daar de rechthebbende op het auteursrecht zich niet door zulk een mededeling rechten kan voorbehouden die hem na openbaarmaking van die verveelvoudiging van het werk niet meer toekomen (vgl. HR 25 jan. 1952, NJ 1952, 95).”

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s

%d bloggers like this: